“Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ ‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ ‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’”
Johannes 11: 21-27
We krijgen hier een bijzonder inkijkje in het gesprek tussen Martha en Jezus. Martha wéét van de opstanding en ze gelóóft in een opstanding uit de dood. Maar ze gelooft het voor later. Niet voor nu. Ze beseft echter niet dat Jezus nú in staat is doden op te wekken en dat Hij dat over enkele ogenblikken ook zal laten zien. Als Hij zegt “Ik ben de opstanding”, betekent dat, dat er geen opstanding is buiten Hem om. Zelfs de ongelovigen staan op door Zijn kracht om door Hem geoordeeld te worden. Hij is ook “het leven” en dat is Hij alleen voor hen die in Hem geloven. Wie in Hem gelooft, ontvangt het eeuwige leven.








