“Judas, die Hem zou uitleveren, had met hen een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Degene die ik kus, die is het. Neem Hem gevangen en voer Hem weg onder strenge bewaking.’ Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei: ‘Rabbi!’ en kuste Hem.”
Marcus 14: 44 en 45
Rabbi, zo noemt Judas Hem. Niet Jezus, niet Heer. Deze benaming licht ook een tipje van de sluier op. Judas zag Jezus als Rabbi, als leraar. Een benaming die feitelijk juist was, maar Jezus ook feitelijk tekort deed. Jezus was een leraar, maar Jezus was en is zoveel meer! Herder, leraar, koning, priester, profeet, maar boven alles: Hij was God, Hij was HEER. Hij was Verlosser, Bevrijder van zonde, schuld en dood. Rabbi’s waren er meer in Jezus tijd. Maar er was maar één volmaakte Koning en Heer. En dát erkende Judas niet. Een stervende Jezus? Nee! Hij wilde een triomferend aardse koning, van wiens roem en macht Judas mee zou kunnen profiteren. En nu Jezus dat niet blijkt te zijn; nu Jezus zichzelf vrijwillig overgeeft om te sterven, nu verraadt Judas hem met een kus.