“Toen Judas, die Hem had uitgeleverd, zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug en zei: ‘Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.’ Maar zij zeiden: ‘Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!’ Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich.”
Mattheus 27: 3-5
30 zilverstukken was in de tijd van de Bijbel de prijs die je moest betalen voor “een per ongeluk gedode slaaf”. Zoveel hadden de Joodse leiders over voor Jezus. Judas kreeg berouw toen hij zag dat Jezus ter dood veroordeeld was. Hoe we tegen het berouw van Judas aan moeten kijken? De Bijbel zegt er niets over. Wij moeten daarover dus ook niet speculeren. Judas probeert zijn daad nog ten goede te keren door naar de Joden te gaan en te zeggen: “Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren”. Maar de Joodse leiders halen onverschillig hun schouders op. En dan smijt de zo op geld beluste Judas de 30 zilverstukken in de tempel. Het geld brandt ineens in zijn handen. Weg ermee. Bloedgeld. Judas beseft niet dat er bij God altijd vergeving is. Hij zoekt zijn heil en verlossing niet bij God maar slaat de hand aan zichzelf. Drie jaar met Jezus optrekken en dan zó eindigen. Het is diep en diep verdrietig.