“In die dagen stond Petrus op te midden van de leerlingen – er was een groep van ongeveer honderdtwintig mensen bijeen – en zei: ‘Vrienden, het schriftwoord waarin de heilige Geest bij monde van David heeft gesproken over Judas, de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen, moest in vervulling gaan. Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak.”
““Laat een ander zijn taak overnemen.” Daarom moet een van de mannen die steeds bij ons waren toen de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.’”
Handelingen 2: 15 17 en Handelingen 2: 20-22
Judas. Hij was een getuige van Jezus leven, maar niet van zijn opstanding. En Judas is er niet meer. De discipelen missen een 12e getuige van Jezus leven én opstanding. Daarom stelt Petrus voor om één van de mannen, die ook vanaf het begin met Jezus meegetrokken zijn en die dus kunnen getuigen van Jezus leven, dood én opstanding, in de plaats van Judas te benoemen. Ze gaan bidden of God door het lot iemand wil aanwijzen die voor deze taak geschikt is. En het lot viel op Mattias. Ook hij mag gaan getuigen van Jezus!