“Vervolgens zei Hij: ‘Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.”
Lukas 15: 11-13
Ik heb nooit mijn erfenis opgeëist. Ik heb nooit mijn vermogen verkwist. Ik heb nooit een losbandig leven geleid. Ik ben dus in ieder geval niet die jongste zoon. Toch? Als je zo denkt, dan kijk je slechts oppervlakkig. Het gaat in deze gelijkenis om onze hartsgesteldheid. Het hart van de jongste zoon lag niet bij zijn vader. Het lag bij “ik” en “mijn”. Oei. Dat klinkt al heel wat bekender. “Ik” heb toch ook rechten? Op een leuk leven, een beetje geluk, vakantie op z’n tijd? Maar eh…. Hoe zit het dan met mijn hartsgesteldheid richting mijn Vader? Richting God, mijn Vader? God dwingt niet. Nooit. Wil je weggaan? Je bent vrij om te gaan. Wil je niet naar de kerk? God dwingt je niet. Nooit. Trekt mijn hart me bij Hem vandaan of zoek ik met heel mijn hart naar wat God graag wil?