“in het eerste jaar van zijn koningschap, leidde ik, Daniël, uit de boeken af hoeveel jaren het zou duren voordat de puinhopen van Jeruzalem verdwenen zouden zijn. Zoals de HEER aan de profeet Jeremia had gezegd, waren dat er zeventig. Ik wendde mij tot God, de Heer, en gaf me over aan gebed en smeekbeden, al vastend en rouwend. Ik bad tot de HEER, mijn God, en beleed schuld: ‘Heer, grote en geduchte God, die zijn beloften nakomt en trouw is aan wie Hem liefhebben en doen wat Hij gebiedt, wij hebben gezondigd en ons misdragen. Wij zijn slecht en opstandig geweest, wij zijn van uw geboden en regels afgeweken”
Daniel 9: 2-5
Daniel was ongeveer 14 jaar toen hij werd weggevoerd naar Babel. In dit hoofdstuk lezen we, hoe de oudere Daniel in de oude boeken en in de profeten leest, hoe lang de ballingschap zal duren. 70 jaar! En hij realiseert zich: dat heeft God voorzegd. Als Israël zou afwijken van Gods geboden. Als Israël zou buigen voor andere goden. Daniel beseft dat er een collectieve schuld is. Hij zegt niet: dat hebben mijn ouders, grootouders, voorouders gedaan. Nee, hij belijdt ook zíj́n schuld. Wij hebben gezondigd. Wij zijn schuldig. Wij zijn slecht en opstandig. Kan ik zo bidden? Voel ik collectieve schuld over alle gruwelijkheden van de wereld?