“De engel van de HEER kwam uit Gilgal naar Bochim. Daar zei Hij: ‘Ik heb jullie uit Egypte geleid naar het land dat Ik jullie voorouders onder ede had beloofd. Ik heb gezegd dat Ik mijn verbond met jullie nooit zou verbreken. Maar jullie mochten geen verdragen sluiten met de inwoners van dit land en hun altaren moesten jullie afbreken. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat Ik heb gezegd. Hoe hebben jullie dat kunnen doen? Ik heb jullie toch gewaarschuwd dat Ik de inwoners van dit land niet voor jullie zou verdrijven, en dat zij jullie in hun netten zouden verstrikken en hun goden jullie ondergang zouden worden?’ Toen de engel van de HEER deze woorden tot de Israëlieten had gesproken, barstte het volk in gejammer uit. Ze noemden die plaats Bochim en brachten er offers aan de HEER.”
Rechters 2:1-5
Gilgal was een bijzondere plaats. Hier was Israël veilig de Jordaan overgestoken en richtte Jozua 12 gedenkstenen op. Alle mannen werden hier besneden en hier werd ook het eerste Pascha gevoerd. Genoeg “gedenkmomenten” dus. En toch…de Engel van de Heer kwam uit Gilgal (plek vol historie!) naar Bochim. God Zélf kwam naar de Israëlieten toe in de gestalte van een engel. De Engel van de HEERE reist van Gilgal naar Bochim. Gilgal staat voor het begin van de verovering, de besnijdenis en het geloof. Bochim betekent ‘huilen’. Het is een plaats van tranen. Het zijn tranen om verloren zegeningen. Want is het niet om te huilen, als we zien hoe het volk van God is afgeweken van Gods geboden? En doet het ons nog wat, als we zien dat zoveel mensen God niet kennen? Kunnen wij daar oprecht verdrietig om zijn?