“Toen haar slavin Zilpa Jakob een tweede zoon baarde, zei Lea: ‘Wat ben ik nu gelukkig! Alle vrouwen zullen mij gelukkig prijzen.’ Ze noemde het kind Aser.”
“”Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen”
Alle vrouwen/alle geslachten zullen mij gelukkig prijzen. Beide vrouwen, Lea en Maria, zongen een loflied. De omstandigheden waren totaal verschillend. Lea had een man die haar niet liefhad en haar tegen zijn zin tot vrouw moest nemen. Maria had een verloofde die haar liefhad, en haar tot vrouw moest nemen, maar haar nog niet intiem lief mocht hebben. Zullen de vrouwen Lea gelukkig hebben geprezen? Lea sprak deze woorden overigens nadat haar slavin een tweede zoon “namens” haar, Lea, had gebaard. Het is een schrijnend loflied. Uitgesproken tijdens omstandigheden die God niet goedkeurt. Hoe anders dan de omstandigheden waarin Maria haar Kind verwacht! Waarover zou jij willen, dat anderen jou gelukkig prijzen?