“Toen nam Bildad uit Suach het woord: ‘Hoe lang blijf je deze dingen nog verkondigen? Al die woorden van je – ze zijn niets dan wind. Is God dan onrechtvaardig? Zou de Ontzagwekkende het recht verdraaien? Als je kinderen tegen Hem gezondigd hebben, gingen zij te gronde aan wat zij zelf misdeden.”
Job 8:1-4
De leugen die Bildad hier vertelt is voor Job verschrikkelijk. Maar hij doet daarmee ook God diep onrecht. We weten uit Job 1 wel hoe het écht is gegaan. Nergens komen we daar een veroordelende God tegen. We lezen daar ook hoe Job elke keer opnieuw voor zijn kinderen bad. Hij bracht ze voor Gods troon en vroeg vergeving voor het geval ze iets verkeerds hadden gedaan. Zo mogen ook wij bidden. We weten niet van onze kinderen of ze stiekem iets verkeerds doen. We weten het vaak niet eens van onszelf. Zullen we daarom met Job mee bidden? “God, wij brengen onze kinderen voor uw aangezicht. We willen bidden voor hun redding en we bidden om Uw genade over de kinderen die nu in onze gedachten zijn. Heer, wij bidden dat U hen naar U zult trekken, God, dat U hen zult beschermen tegen het kwaad en dat U hen zult helpen om op U te vertrouwen.”