“Jezus zei: ‘Ik heb jullie alle twaalf uitgekozen, en toch is een van jullie een duivel.’ Hiermee doelde Hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want hij, een van de twaalf, zou Hem uitleveren.”
Johannes 6:70,71
Jezus spreekt deze woorden uit, net na de belijdenis van Petrus. En even daarvoor hadden de leerlingen het wonder meegemaakt dat Jezus op het water liep. Deze verzen laten zien dat men fysiek dicht bij Jezus kan zijn, deel kan uitmaken van zijn intieme kring, en toch ten diepste geestelijk gescheiden van Hem kan zijn en niet wérkelijk met Hem verbonden. Dat Jezus Judas een “duivel” noemt betekent dat Judas de zaak van de vijand dient. De duivel is tijdens die drie jaar rondwandeling van Jezus vaak in Jezus buurt geweest. En telkens heeft hij geprobeerd het verlossingswerk van Jezus tegen te gaan. Dank God dat Jezus stand hield en zó de wereld heeft verlost van de gevolgen van zonde en schuld.