Jahweh Tsevaot: de almachtige God
“In Rama in de streek Suf, in het bergland van Efraïm, woonde een man die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, die een zoon was van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, en behoorde tot de stam Efraïm. Hij had twee vrouwen: de ene heette Hanna en de andere Peninna. Peninna had kinderen, maar Hanna niet. Elk jaar ging deze man vanuit zijn woonplaats naar Silo, om zich daar voor de HEER van de hemelse machten neer te buigen en Hem offers te brengen.”
1Samuel 1: 1-3
Dit woord komt van “tsava”, wat “troepen/leger” betekent. God is dus de Almachtige God, Heer der heerscharen, Heer van de hemelse machten. Met deze naam wordt God op heel veel plekken in de Bijbel genoemd, maar hier voor het eerst. En dat is veelzeggend, want de toestand van Israël was erbarmelijk. Veel Israëlieten hadden God verlaten. Er heerste chaos in het land. Veel aanvallen van buitenaf. De richters dienden soms wel, soms niet de God van Israël. In die tijd bracht Elkana, een Leviet, ondanks de erbarmelijke toestand in zijn gezin, met twee vrouwen, offers aan de Heer van de hemelse machten. God regeert, ondanks alles!