“Op zekere dag richtte koning Belsassar voor zijn duizend machthebbers een groot feestmaal aan, en in gezelschap van deze machthebbers dronk hij wijn. Beneveld door de wijn gaf Belsassar opdracht de gouden en zilveren bekers tevoorschijn te halen die zijn vader Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem had meegenomen, opdat de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen daaruit konden drinken. Men haalde de gouden bekers die uit de tempel van Jeruzalem, het huis van God, waren meegenomen en de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen dronken eruit. Ze dronken wijn en prezen hun goden van goud en zilver, van brons, ijzer, hout en steen.”
Daniel 5: 1-4
Belsassar. Hij durft wel, deze Belsassar. Hij denkt groots en doet groots. Een maaltijd voor 1000 machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen niet meegerekend. En beneveld door de wijn laat hij de gouden en zilveren bekers halen die zijn vader had geroofd uit de tempel van God. Waarom? Glazen bestonden toen nog niet, dus het glaswerk kon niet kapot zijn. Het staat veelzeggend in vers 4: ze prezen hun goden van goud en zilver, van brons, ijzer, hout en steen. Dat deden ze terwijl ze uit het heilig drinkgerei van de tempel dronken. Daarmee maakten ze de God van Israël belachelijk. Ze hadden zijn volk gevangen genomen, de tempel geruïneerd en al het gerei van “die” God meegenomen. Haha, die God kan hen niets maken! Toch? Huiveringwekkend. Make Babylon Great Again! Waar hebben we dat meer gehoord? God laat het er niet bij zitten. Dat zien we morgen.