“Heel dat gebied schenk Ik jullie. Trek het binnen en neem het in bezit, het land dat de HEER jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob en hun nageslacht onder ede heeft beloofd.’”
Deut 1:8
Deuteronomium is een soort afscheidsrede van Mozes, nu het volk aan de grenzen van het beloofde land staan. Ik schenk het jullie, zegt God. Ze hoeven het alleen maar in bezit te nemen. Kant en klare huizen, wijngaarden, akkers, steden, het ligt klaar voor Israël. Wij kunnen ons dat nu niet voorstellen en zouden dit als genocide bestempelen. Maar in een tijd waarin de aarde nog niet dik bevolkt was, keken mensen anders tegen “grenzen” aan. En de maat van de zonden en gruwelijkheden van de toenmalige bevolking was ten hemel schreiend voor God. Daarom houdt Mozes nog één keer het volk de goede geboden van God voor.